Verslagen van activiteiten

Verslagen van activiteiten

Integratieavond: Moslim én Nederlander

Op 14 juni 2010 is in Amsterdam een activiteit gehouden met als thema Moslim én Nederlander. Hierover werd een korte lezing gegeven door dhr. Prof. Meindert Fennema,verbonden aan het Institute for Ethnic and Migration Studies van de Universiteit van Amsterdam, en mw. Zainab Al Touraihi, secretaris in het bestuur van het Contactorgaan Moslims en Overheid. Vervolgens werd een vragen- en discussieronde gehouden.

Hoewel de discussie enigszins chaotisch en stroef verliep, was de avond levendig en inhoudelijk goed. Verschillende visies kwamen tot uiting bij zowel de sprekers als het publiek. Scherpe vragen en opmerkingen vanuit het publiek hebben geleid tot een groter inhoudelijk inzicht in het onderwerp.

De eerste spreker van de avond, dhr. Fennema, wees iedereen erop dat Nederland door de eeuwen heen alleen tolerant tegenover nieuwkomers was, daar waar er economisch voordeel uit te behalen viel. Maar zolang problemen genoemd kunnen worden zonder ze direct af te serveren als racistisch of xenofoob, is er een goede kans op integratie. Er is niks ergs aan tegenstellingen benoemen, binnen een bepaalde mate polariseren en anticiperenop nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Integreren is met vallen en opstaan.

Wat duidelijk naar voren kwam, is dat de overheid integratie op een verkeerde wijze aanpakt. Volgens mw. Al Touraihi vormen allerlei sociale hulpinstanties en (collectieve) subsidies juist een belemmering voor de integratie, en dragen ze bij aan een verdere polarisatie. Bovendien dient integratie van twee kanten te komen; de sociale cohesie dient bevordert te worden. Voor beide is het van belang dat er een goede etnische vermenging in wijken wordt gerealiseerd, en dat ook op geïndividualiseerde basis wordt geïnvesteerd in nieuwkomers. Daar waar nodig dienen kleinschalige cursussen aangeboden te worden,opdat ieder in de samenleving volwaardig kan participeren.

Kortom, de overheid moet mogelijkheden scheppen voor individuele ontplooiing en zorgen voor een basis waarvan nieuwkomers zelfstandig verder kunnen. Ook moet etnische seggregatie voorkomen worden en moet de samenleving niet bang zijn voor het benoemen van ergernissen en het aangaan van confrontaties.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie
Max Veenstra, lid denktank Samenleving en Integratie
 


Bezoek aan de Fatih Moskee in Amsterdam

Op vrijdag 27 augustus is met enkele JOVD'ers een bezoek gebracht aan de Fatih Moskee in Amsterdam. De moskee behoort tot de alevitische stroming binnen de islam, welke binnen ons land voornamelijk aanhang kent onder Turks-Nederlanders. Een dergelijk moskeebezoek vergroot niet alleen de kennis over de islam, maar neemt ook vooroordelen weg.

Het bezoek bestond uit twee delen. Allereerst werd een vrijdaggebed bijgewoond. Dit betrof een zeer mooie gebedsceremonie, waarbij het ook niet verbazend was dat vanuit religie een verbindende kracht uitgaat. Tijdens het tweede deel werd een korte rondleiding gegeven, waarbij ook volop ruimte aanwezig was om vragen te stellen aan en in discussie te gaan met onze rondleider, de heer Mehmet Yamali, welke ook duidelijk antwoord gaf op alle aan hem gestelde vragen. Tijdens dit deel werd een verdere betekenis achter de Ramadan en verscheidene andere gebruiken binnen de islam verduidelijkt, werd ingegaan op de geschiedenis van de islam en werden ook actuele ontwikkelingen in binnen- en buitenland besproken.

Wat tijdens het bezoek duidelijk werd, is dat er niet gesproken kan worden over dé islam. Het is een zeer divers geloof met verscheidene facetten, waardoor in feite niemand kan claimen te spreken of te handelen namens de islam als geheel. Immers, teksten (in vrijwel alle religies overigens) zijn interpretatie-afhankelijk.

Al met al was het aanwezig zijn bij het middaggebed een zeer mooie ervaring om mee te maken, en heeft de heer Yamali veel duidelijkheid gegeven over de islam, actuele ontwikkelingen die gerelateerd zijn aan de islam en aan zijn eigen persoonlijke beleving van zijn religie.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie
 


Politiek en Filosofisch Weekend II: Integratieparadox

Op zaterdag 23 en zondag 24 oktober 2010 is door het Politiek Commissariaat van de JOVD het tweede Politiek en Filosofische Weekend van 2010 georganiseerd. Het Politiek Commissariaat Integratie heeft op de zaterdag een werkgroep georganiseerd over de integratieparadox, met een toespitsing op de situatie van Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren. Dit onderwerp werd besproken door dr. Jochem Tolsma, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en dr. Hans Werdmölder, verbonden aan de Roosevelt Academy.

De integratieparadox werd nader toegelicht door de heer Tolsma. Hij maakt als socioloog vooral gebruik van kwantitatieve onderzoeksmethodologieën. In zijn onderzoeken naar heeft hij aangetoond dat het Marokkaans-Nederlandse bevolkingsdeel in Nederland kenmerken vertoont van de integratieparadox. Dit betekent dat sociaal-economische en sociaal-culturele integratie niet een positieve correlatie met elkaar vertonen, maar dat een hoge socio-economische integratie leidt tot een lagere socio-culturele integratie, en vice versa. Meer hierover kan gevonden worden in Ethnic Hostility Among Ethnic Majority and Minority Groups in the Netherlands, geschreven door de heer Tolsma.

Bovengenoemde verklaart voor een groot deel de situatie en problematiek omtrent Marokkaans-Nederlandse probleemjeugd. Maar cijfers vatten niet een hele cultuur samen. Daar heeft de heer Werdmölder ruim twintig jaar lang kwalitatief onderzoek naar gedaan. Het resultaat toonde zich in de vorm van enkele boeken over de Marokkaanse cultuur en Marokkaanse-Nederlanders. Omdat Marokkaans-Nederlandse jeugd opgevoed is tussen twee culturen, maar ook omdat een bepaald deel van die jongeren van huis uit bepaalde dominante Marokkaanse normen en waarden heeft overgenomen, kunnen botsingen optreden. Dit uit zich in asociaal gedrag en, zoals het door de media en sommige politici wordt genoemd, straatterreur.

Het gaat dus om de wijze waarop mensen denken en om de percepties die er bestaan, maar ook om de verbanden en invloeden die verscheidene integratieprocessen op elkaar al dan niet hebben. Dit is natuurlijk geen goedkeuring voor onjuist gedrag, maar het verklaart wel waarom er op een bepaalde manier gehandeld wordt. Als er in ieder geval iets duidelijk is geworden, dan is het dat integratie tijd kost.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie
 


Werkgroep op het JOVD Najaarscongres 2010: Boerkaverbod in Nederland?

Op zondag 21 november 2010 is op het JOVD Najaarscongres een werkgroep georganiseerd over het boerkaverbod in Nederland. Ingegaan werd op de vragen in hoeverre het dragen van een boerka of een niqaab een uiting is van de islam, en of het niet eerder een cultureel verschijnsel dan een religieuze uiting is. Ook werd aandacht besteden aan het nut van een boerkaverbod. Deze vragen werden behandeld door dr. Mohammed Ghaly, islamoloog aan de Universiteit Leiden en medeverantwoordelijk voor de adviezen aan de kabinetten Balkenende over een boerkaverbod in Nederland. 

In het eerste deel van de lezing werd ingegaan op de vraag in hoeverre de boerka een uiting is van de islam. Wat snel duidelijk werd, is dat de islam daar niet bepaald eenduidig over is. Sterker nog, de islamitische schriften zijn daar heel breed en soms ook tegenstrijdig over. Wel is de afgelopen decennia een wijziging waarneembaar is de aanhang die de boerka geniet onder moslims. Steeds meer vrouwen in islamitische landen zijn een boerka gaan dragen, en in enkele landen is het dragen van een boerka door vrouwen een norm geworden.

Maar hoewel islamitische geleerden het vaak niet met elkaar eens zijn op het gebied van de vereiste mate van lichaamsbedekking door vrouwen, zijn zelfs de grootste boerka-aanhangers onder islamitische geestelijken het vaak eens met de stelling dat een boerka niet in Europa gedragen dient de te worden. Immers, islamitische lichaamsbedekking dient volgens deze geestelijken zich aan te passen aan de gangbare normen omtrent lichaamsbedekking. Moslims zouden zich niet belachelijk moeten maken door het wél dragen van een boerka, terwijl dat tegen de normen is van de betreffende samenleving.

Het is dus duidelijk dat de maatschappelijke discussie over het dragen van gezichtsbedekkende kleding door sommige moslimvrouwen niet iets is dat alleen in Europa wordt gevoerd, maar ook al lang speelt in de islamitische wereld. Echter, in Europa wordt in enkele landen voorgesteld om de boerka te verbieden. De vraag die daarbij gesteld moet worden, is of het verbieden van het dragen van een boerka werkelijk bijdraagt aan de doelstellingen die behaald zouden moeten worden met het verbod. Het verbod is immers niet een op zichzelf staand doel, maar dient ter bescherming van de openbare orde en veiligheid, zou het maatschappelijke onderlinge vertrouwen moeten vergroten en zou een barrière weg moeten nemen voor boerkadragende vrouwen om te emanciperen. De heer Ghaly twijfelde aan de mate waarin deze doelen behaald kunnen worden door het verbieden van de boerka. Zo zijn er helemaal niet veel vrouwen in Nederland die een boerka dragen, zo weinig dat het niet eens bekend is hoeveel het er zijn. Ook zal een onderdrukte islamitische vrouw volgens Ghaly niet minder onderdrukt worden als zij in het openbaar geen boerka meer mag dragen. Volgens Ghaly zijn er dan ook meer redenen om sceptisch te staan tegenover een boerkaverbod, vooral in een liberale samenleving waarin de overheid zich terughoudend dient op te stellen rondom kledingvoorschriften, dan om een dergelijke verbod te steunen.

Bovenstaande heeft de discussie binnen de JOVD omtrent een boerkaverbod, maar ook over een algeheel verbod op gezichtsbedekkende kleding, alleen maar complexer gemaakt. Deze discussie is dan ook nog lang niet gevoerd, hoewel de heer Ghaly ons een groot inzicht heeft gegeven in de wijze waarop een boerka een uiting is van de islam. Ook heeft Ghaly enkele sterke argumenten gegeven tegen een boerkaverbod.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie
 


Immigratiedebat: Bestemming Nederland

Op woensdag 16 maart heeft het Politiek Commissariaat Integratie en Immigratie in samenwerking met de afdeling Friesland van de JOVD een activiteit in Leeuwarden georganiseerd over de positie van vluchtelingen in Nederland. Daarvoor waren mr. Annelies Hoftijzer, voorzitter van de SVMA en advocate op het gebied van vreemdelingenrecht, en mw. Anneke Omvlee, werkzaam bij VluchtelingenWerk Noord-Nederland, uitgenodigd om de huidige situatie toe te lichten. Mevrouw Hoftijzer ging in op de rechten en plichten van asielzoekers in Nederland en op hoe de asielprocedure in Nederland werkt. Mevrouw Omvlee lichtte toe op welke wijze asielzoekers in Nederland begeleid worden, en wat er met asielzoekers gebeurt in de procedurele fase, als ze toegelaten worden of als ze afgewezen worden en teruggestuurd worden naar land van herkomst.

Beide sprekers onderschrijven de stelling dat er veel onwetendheid bestaat over immigratie. In de politiek en media wordt er geen onderscheid gemaakt tussen allochtonen, immigranten en vluchtelingen, terwijl het onderscheid tussen de verschillende begrippen van wezenlijk belang is. Door alles op een hoop te gooien ontstaan onder andere stigmatiseringen en kan geen redelijk debat worden gevoerd over problematiek en oplossingen omtrent de omstandigheden waarin vluchtelingen leven.

Wat in ieder geval duidelijk is, is dat Nederland weinig speelruimte heeft op het gebied van asielregelgeving. Veel staat vastgelegd in internationale verdragen en Europese regelgeving, waardoor het moeilijk is om asielprocedures te verzwaren. Mevrouw Hoftijzer voegt daaraan toe dat het uitzetten van uitgewezen asielzoekers ook problematisch kan verlopen, omdat een uitgewezen asielzoeker nog geaccepteerd moet worden door het land van hekomst (indien het bekend is waar de betreffende persoon vandaan komt).

Binnen de Europese Unie zijn verscheidene afspraken gemaakt omtrent asielprocedures. Het belangrijkste verdrag over dit onderwerp is het Verdrag van Dublin, waarin onder andere staat vastgelegd dat asielzoekers zich moeten aanmelden in het eerste land van binnenkomst binnen de EU, en dat het desbetreffende land ook verantwoordelijk zal zijn voor de afwikkeling van de asielprocedure en de opvang van de asielzoeker. Om dit systeem in stand te houden, is de EURODAC ingevoerd. Dit is een vingerafdruksysteem waarmee gecontroleerd kan worden of een asielzoeker zich niet eerder heeft aangemeld in een ander EU-land. Indien dat het geval is, zal de asielzoeker 'teruggestuurd' worden naar het eerste land van aankomst binnen de EU. In het Verdrag van Dublin is immers ook geregeld dat asielzoekers binnen de EU maar in één land een asielaanvraag mogen doen.

In 2010 is de Vreemdelingenwet ingrijpend gewijzigd. De procedure is strenger geworden, en het is ook de bedoeling dat de hernieuwde regelgeving leidt tot een versnelling van besluiten door de Integratie- en Naturalisatiedienst en door de rechter. Op dit moment is het nog niet zichtbaar welke effecten de nieuwe wetgeving heeft, op een punt na: elke asielzoeker krijgt één advocaat toegewezen die de asielzoeker tijdens de gehele procedure begeleidt. Voor de wetswijziging kreeg de asielzoeker in elke fase een andere advocaat toegewezen, waardoor de procedures voor zowel asielzoeker als de advocaten en de IND onnodig complex werden.

Wat de procedures betreft, informeert mevrouw Hoftijzer dat het nauwelijks voorkomt dat procedures gestapeld worden. Procedures duren gewoon extreem lang, maar het komt bijna nooit voor dat een asielzoeker keer op keer een nieuwe aanvraag indient. Mevrouw Omvlee voegt daaraan toe dat de meeste asielzoekers uit Nederland vertrekken als ze door de IND of de rechter uitgewezen worden. Uitgewezen asielzoekers die niet vertrekken (in de volksmond 'illegalen' genoemd), worden veelal door VluchtelingenWerk Noord-Nederland opgevangen en begeleid op een terugkeer naar land van herkomst.

Beide sprekers wijzen op de noodzaak om asielzoekers duidelijk en snel op hun rechten en plichten te wijzen, en ook om de asielzoekers te laten doordringen van het belang om altijd volledige informatie te geven en om altijd transparant en eerlijk te zijn. Zelfs de kleinste afwijkingen in verklaringen kan leiden tot ernstige problematiek in de asielprocedure, met als gevolg dat de asielzoeker (wellicht onterecht) uitgewezen wordt naar land van herkomst.

Bovenstaande heeft de feitelijke situatie van asielzoekers in Nederland sterk verhelderd, waardoor op een sterkere basis een discussie gevoerd kan worden over het tegengaan van problematiek.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie en Immigratie
 


Politiek en Filosofisch Weekend I: Radicalisering ongevaarlijk?

Op zaterdag 19 maart heeft het Politiek Commissariaat Integratie en Immigratie een werkgroep over radicalisering georganiseerd op het eerste Politiek en Filofisch Weekend van 2011. De media en politiek schetsen een beeld waarin radicalisering neergezet wordt als iets gevaarlijks en ongewenst. Vaak wordt gedacht dat radicalen gewelddadig zijn en dat radicalisering leidt tot de wens om de gevestigde orde omver te werpen; radicalisering zou per definitie tegen de democratische rechtsstaat. Maar klopt dit beeld wel? Om meer over radicalisering te weten te komen, is prof.dr. Frank Bovenkerk, antropoloog, criminoloog en hoogleraar Radicaliseringsstudies aan de Universiteit van Amsterdam, uitgenodigd om ons hier meer over te vertellen.

De heer Bovenkerk wijst al meteen op enkele problemen omtrent dit onderwerp. Hoe meet je radicalisme? Hoe voorkom je radicalisering? Wanneer is iemand radicaal? Dat zijn vragen waar geen directe antwoorden op bestaan, ondanks decennialange studies naar dit onderwerp. Het hangt heel erg af van de definitie die gegeven wordt aan radicalisering. De AIVD hanteert als definitie voor radicalisme "het nastreven en/of ondersteunen van diep ingrijpende veranderingen in de samenleving, die een gevaar kunnen opleveren voor de democratische rechtsorde, eventueel met het hanteren van ondemocratische methodes, die een afbreuk kunnen doen aan het functioneren van de democratische rechtsorde." Het moet dus gaan om het gewelddadig nastreven van doelen die de democratische rechtsstaat verstoren.

Wat Nederland betreft, verwacht de bevolking van de overheid dat die alle mogelijke risico's van het leven wegneemt; we leven in een zogenoemde 'risicoloze samenleving', waarbij het langzamerhand normaal wordt gevonden om de overheid aan te spreken voor situaties die in de samenleving als problematisch worden ervaren. Daarnaast draagt het huidige integratie- en immigratiedebat ertoe dat bepaalde stereotyperende kenmerken worden toegedicht aan bepaalde bevolkingsgroepen in Nederland door media en politiek.

Door het bovengenoemde proberen Nederlandse overheidsdiensten door middel van het signaleren van uiterlijke kenmerken van personen eventuele activiteiten van radicalen te voorkomen. Het is echter duidelijk dat dit niet werkt. Om een voorbeeld te noemen: radicale moslims zouden allemaal bepaalde kledingvoorschriften en uiterlijke kenmerken hebben die hun onderscheiden van niet-radicale moslims. Maar als een radicale moslim een aanslag zou willen plegen op bijvoorbeeld een vliegveld, dan kiest hij of zij heus wel een betere vermomming dan stereotyperende kleding. Het 'grappige' is dan ook dat de Nederlandse veiligheidsdiensten, en dan met name de Koninklijke Marechaussee, nog steeds boekjes bij zich hebben met daarin instructies hoe leden van verscheidene radicale groeperingen te herkennen.

Als er een land is dat ervaring heeft met radicalisme, dan is dat Israel. De Israeli's hebben methodes om potentieel gevaarlijke radicalen te signaleren zeer verfijnd, en zij letten dan ook lang niet meer op (alleen) uiterlijke kenmerken. Wat veel belangrijker is, is het gedrag van de persoon. De meeste radicalen die op het punt staan een actief gevaar te vormen voor hun directe omgeving, vertonen vaak een combinatie van warrig, gespannen en gedetermineerd gedrag. Hoewel ook bij het signaleren van radicalen aan de hand van gedrag vaak niet waterdicht is, werkt deze methode in ieder geval heel veel malen beter dan het bestempelen van personen als radicaal aan de hand van uiterlijke kenmerken. 

Hoe dan ook, het is ook deels een kwestie van definities. De Nederlandse definitie legt een grote nadruk op geweld en het gevaar dat gevormd wordt voor de democratische rechtsstaat. Het frappante is dat volgens deze definitie ook Geert Wilders als radicaal bestempeld zou kunnen worden. Niet alleen resulteert de uitvoering van zijn ideeën tot het beschadigen van de democratische rechtsstaat zoals wij die nu kennen, maar heeft de PVV ook uitspraken gedaan die in feite oproepen tot geweld. Zo hebben enkele Tweede Kamerleden voor de PVV gesteld dat Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren een knieschot zouden moeten kunnen krijgen. En niet alleen de vroegere leermeester van Wilders, Frits Bolkestein, maar ook de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding stelde dat Wilders' ideeën radicaal zijn. Het enige verschil tussen de ideeën van Wilders en wat doorgaans radicalisme wordt genoemd, is dat Wilders' ideeën steeds meer geaccepteerd raken. Radicalisme draait ook voor een groot deel om wat wij wel en niet normaal vinden.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie en Immigratie
 


Islam en liberalisme

Op 27 april werd in samenwerking met de afdeling Amsterdam e.o. van de JOVD een avond georganiseerd over de mate waarin islam en liberalisme met elkaar samengaan. De hoofdvraag was of moslims een eigen liberale islam dienen te ontwikkelen om volledig in een Westerse/Europese samenleving te kunnen integreren. Hiervoor kwamen dr. Umar Ryad, islamoloog aan de Universiteit Leiden, en dr. Nico Landman, islamoloog en arabist aan de Universiteit Utrecht, spreken over liberale stromingen binnen de islam, de positie van moslims in Europa en de mate waarin de islam geliberaliseerd dient te worden om het voor moslims mogelijk te maken om volledig te kunnen integreren in een Europese samenleving.

De heer Ryad richtte zich in zijn presentatie op de geschiedenis van de islam, en dan met name op de ontwikkelingen binnen het islamitisch denken. Daarbij werd vooral nadruk gelegd op het salafisme, dat begon als een progressieve stroming binnen de islam. Voor de islam was het salafisme net zoiets als het protestantisme voor het christendom. Het doel van salafisten was om terug te keren naar de oorsprong van de islam. Alleen trad er binnen het salafisme al gauw een splitsing op tussen degenen die progressief bleven en degenen die star vasthielden aan een strikte interpretatie van islamitische heilige geschriften. Een zeer vaak genoemde salafistische organisatie is de Moslimbroederschap.

De heer Landman bouwde voort op de lezing van de heer Ryad, waarbij hij ook een antwoord gaf op de hoofdvraag. Volgens de heer Landman moet er naar drie zaken gekeken worden voordat gesteld kan worden of er een aparte liberale stroming binnen de islam gecreëerd dient te worden. Allereerst is het belangrijk om te constateren dat er ruimte is binnen de islam voor kritische geesten. Natuurlijk zijn er stromingen en invloedrijke personen binnen de islamitische gemeenschappen die anders stellen, maar de islam in zijn geheel biedt voldoende mogelijkheden voor personen die kritisch staan ten opzichte van het geloof en de maatschappij. Ook voor individualisme, een belangrijk kenmerk van een Europese samenleving, is ruimte binnen de islam. Alleen het derde aspect waar naar gekeken moet worden, de mogelijkheden voor een geprivatiseerde samenleving, wat betekent dat privaat en publiek in zowel niet-geloofs- als geloofszaken van elkaar gescheiden zijn, is moeilijk, maar wel mogelijk.

Gezien deze drie punten kan makkelijk geconcludeerd worden dat er binnen de islam als voldoende mogelijkheden zijn voor een liberale geest. Er hoeft dus volgens Landman en Ryad niet een aparte liberale islam gecreëerd te worden.

Samenvatting door:
Dominik Flikweert, JOVD Politiek Commissaris Integratie en Immigratie