We raken niet uitgesproken over de pracht van de Arabische Lente. Het volk dat zich verzet tegen zijn dictators en roept om vrijheid. Mannen, vooral veel mannen, die met de vuisten gebald opkomen voor hun rechten. Tienduizenden mensen die zich niet naar huis laten sturen en de angst van zich hebben afgeworpen. Het is zelfs zo erg dat ik mezelf er af en toe op betrap dat ik denk: “stond ik er maar tussen.” Het is ook niet gek dat we kriebels in onze buik krijgen van de beelden, wij leven tenslotte al vijfenzestig jaar in vrede en democratie.
Toch maak ik me zorgen en die lijken me niet geheel onterecht. In Egypte zijn vrouwenrechtenorganisaties en minderheden, zoals de Kopten, bezorgd na het aannemen van de nieuwe grondwet. Nu het stof van de revolutie langzaam neerdwarrelt, blijkt die niet zo democratisch als gedacht. Want een democratie is niet hetzelfde als een liberale democratie. Die laatste heeft ook oog voor hen die met weinig zijn, anders denken of er anders uitzien. En juist daar zijn zij niet gerust op. Slecht uitgevoerd is een democratie niets anders dan een dictatuur van de meerderheid. En is dit beter dan een dictatuur van een enkeling?
Hetzelfde beeld in Libië. Diverse malen heb ik enthousiaste vrijheidsstrijders op televisie horen roepen dat Kaddafi een ‘Jood’ is en dood moet. Als deze vox populi het voor het zeggen krijgt, dan staat ons nog heel wat te wachten.
Niets is zeker, denk ik dan maar. Misschien blijken al mijn zorgen ongegrond en ontstaan er prachtige democratieën. Misschien komt het Midden-Oosten weer tot volle wasdom en laat het gebied zich vreedzaam meevoeren op de golven van de vaart der volkeren. Waar ik nu het grootste probleem mee heb is dat je in het heden nooit weet of je in de toekomst aan de goede kant hebt gestaan. Daar moet ik dan maar mee leren leven.
Deze column van Martijn Jonk is op 11 mei verschenen in het Friesch Dagblad. Martijn heeft hier elke maand een vaste column.
|